Warnercommunicatie

"Non nobis tantum nati"

Niets is voor mij het meest interessante woord dat er bestaat. Het duidt namelijk niets aan. Ook niet iets dat we ons kunnen voorstellen. En toch benoemen we die onvoorstelbaarheid. We hebben ook woorden voor fenomenen die dichtbij in de buurt liggen en tegelijk er 100 procent van verschillen. Dat zijn leegte en ruimte. Leegte kan worden gebruikt voor de aanduiding van een ruimte waarin niets aanwezig is behalve dat wat die ruimte afgrenst. De muren van een lege kamer bijvoorbeeld. Of het glas van een lege fles. Maar het niets heeft noch muren, noch glas, noch welke begrenzing dan ook. Het woord bestaat, maar wat het aanduidt niet.

Ruimte bestaat wel. Deze kan vol en leeg tegelijk zijn. Zo is het heelal vol met miljarden zonnestelsels en Melkwegen, met zichtbare materie en zwarte onzichtbare materie en energie. Die grote stelsels zien we wel gedeeltelijk met de nodige instrumenten of langs indirecte weg, de laatste twee inhoudelijkheden niet. Zou er geen inhoud zijn, dan hebben we met het Niets te maken. Volstrekt lege ruimte zonder begrenzing is niets.

Als het heelal alsmaar uitdijt en misschien wel voor altijd wat vult dat heelal dan? Het schept ruimte. Dat wel. Vertegenwoordigt ook een mate van leegte. We kunnen er doorheen, zij het met de nodige afzetkracht. Het biedt dus ook ruimte. Tegelijk verbinden zeer kleine eenhedenminste in dat heelal zich met elkaar. Hoe ingewikkelder die verbindingen des te meer komen we in de range van stoffen die nodig zijn om een mens samen te stellen. Voor zover wij weten of denken te weten zijn wij als of niet met ‘anderen’ in het heelal de verstgaande levensvorm. Zo denken we tenminste over ons zelf. Die complexe structuren bestaan uit informatie. Haal ze uit elkaar en je leert ervan. De mens krijgt kennis door te ontleden en met die kennis bouwen we weer nieuwe complexiteiten. We volgen hiermee als het ware hetzelfde proces als dat heelal. Met horten en stoten, zelf vinden we dat we gestaag vorderen.

Zo weten we inmiddels dat er zoiets bestaat als het ruimtetijdcontinuum. Drie dimensies die we aanduiden dankzij kwantitatieve eigenschappen als lengte, breedte en hoogte plus de tijd leveren ons een vierdimensionaal beeld. Inmiddels vermoeden we het bestaan van wel 11 dimensies. Tijd kunnen we ons eigenlijk ook niet goed voorstellen. Het is een afgeleide dimensie. Dingen bestaan in de tijd. Zij hebben duur en hun verschillen in bestaansduur leveren ons het tijdsbeeld op. Ook hun posities in relatie tot onderlinge bewegingen. Wij leven langer dan eendagsvliegen, bergen langer dan wij en de zon zelfs miljarden jaren. Hoe lang het heelal leeft, schatten we bij benadering op zo’n 14 miljard jaar, maar recent rijzen over deze aanname twijfels. Hoe lang het nog zal bestaan kan slechts speculatief worden benaderd.

Het zou allemaal begonnen zijn met de Big Bang. Uit het niets ontpopte zich een onmogelijk klein iets. Waar dit vandaan kwam, weten we niet. Wel dat het onnoemelijk geconcentreerd was en wel zo superdesuper, dat al die triljoenen aan zonnen, planeten, stelsels en zichtbare en onzichtbare energie er de voortbrengselen van zijn. Ik kan mij er niets bij voorstellen anders dan een povere metafoor van een soort kosmisch explosief vuurwerk.

Wat we zijn en vooral waarin we verschillen van elkaar geeft ons identiteit. U en ik zijn voor anderen herkenbaar, omdat we niet als zandkorrels op elkaar lijken. Ons uiterlijk, ons doen en laten, onze eigenschappen, het zijn evenzovele identiteitskenmerken. We zijn zo bezien meer aan elkaar ongelijk dan hetzelfde. We worden meer hetzelfde als we onderling afspraken maken over de mate waarin we ons individueel kunnen gedragen en waarin we een zelfde doen en laten tonen. Elkaar geen geweld aan doen, elkaar niet bedriegen, allemaal aan de afgesproken kant van de weg rijden en de straat schoon houden. Duizend en een grote en kleine afspraken maken zijn nodig voor een samenlevingsafspraak. Wezenskenmerk van al die afspraken is dat we de waarde in resultaten van die afspraak onderkennen. Niet dat we het over alles eens zijn, maar wel dat een zekere logica en nuttigheid schuilen in die afspraken. We moeten voorkomen dat we met elkaar botsen.

In dat heelal botst er al genoeg. Juist die menselijke complexiteit leidt tot het vermogen tot kennis en inzicht dat botsingen meer schade aanrichten dan goeds brengen. Er is dus alle reden tot verschillen, als we ze maar niet gebruiken om elkaar in hiërarchische lagen onder te brengen vanwege hun wieg. De inzetbaarheid op basis van persoonlijke vermogens is daarentegen juist wel gewenst. Nuttigheid en inzetbaarheid kunnen per situatie en gebeurtenis verschillen, dus daarin tot voorkeur leiden. Omstandigheden vereisen zicht op functionaliteit op objectieve wijze.

Niets hebben we niets aan. Iets heeft altijd een bepaalde waarde. Mensen zijn bijzondere ietsigheden, die we juist in hun verschillen moeten koesteren. Dat vermogen heeft ons gebracht tot wat we kunnen weten, bewonderen en vrezen. Weinig in de kosmos heeft dat complexe vermogen. Laten we dit koesteren en daarmee onszelf. Iets dat een woord heeft voor niets. Fantastisch toch.

Interessante artikelen

Wat de opstelling morgen is, zeg ik niet. Wat het systeem is dat we gaan spelen, zeg ik ook niet. Alleen welk weer in morgen in Frankrijk verwacht. Dit zo ongeveer was het commentaar van trainer Dick


In de twijfel over wel of niet ingrijpen in Syrië zijn de landen, die humanitaire overwegingen hebben om in actie te komen nu de slachtoffers onder de burgerbevolking in aantal toenemen in een eigen v