Warnercommunicatie

"Non nobis tantum nati"

Om met de deur in huis te vallen, ik ben van mening dat basis- en beroepsonderwijs aan kinderen en jongeren kosteloos door de staat c.q. de gemeenschap moet worden aangeboden en verzorgd. In ons Nederlandse stelsel komt dit neer op bekostiging van het onderwijs uit de algemene middelen.

Ik heb hiertoe de navolgende redenen en argumenten.

Ten eerste. Ouders hebben de plicht hun kinderen op te voeden. Die opvoeding omvat twee hoofdzaken. De boreling en peuter moet worden begeleid in de kennismaking met het leven in algemene zin en stapje voor stapje worden onderwezen in de normen en waarden, regels en gemeenschapsafspraken. Omdat niet iedere ouder hiertoe even goed in staat is, is aanvullend onderwijs noodzakelijk. In dit opzicht is onderricht van staatswege een vangnet voor falende ouders. De tweede pilaar in het O en O-gebouw (naast opvoeding gedegen onderwijs).

Ten tweede. De gemeenschap of de staat heeft de verantwoordelijkheid voor het aanbod van onderwijs. In de jeugdjaren vult de gemeenschap de ouders aan. Deels is dit nuttig omdat niet alle ouders tot een goede opvoeding in staat zijn of er om andere redenen niet toe komen. Deels is dit omdat het leerproces voorziet in fundamentele onderwerpen, die niet alle ouders machtig zijn en die om geschoolde begeleiding vragen: goed taal- en rekenonderwijs onder andere.

In de fase van adolescentie (zeg van 12 tot 20 jaar) is er naast algemene ontwikkeling sprake van beroepsgericht onderwijs. Dit houdt een specialisatie van kennis en vaardigheden in, waartoe het onderricht moet worden gegeven door hiervoor opgeleide docenten. Afhankelijk van intellectueel vermogen, vaardigheid en talent worden jongeren dan begeleid bij de ontwikkeling van hun vermogens in een door henzelf gekozen richting of een domein waar hun vermogens het beste tot hun recht lijken te komen. De staat behoort hier niet dwingend te zijn, maar wel sturend. Per slot van rekening is er geen behoefte aan een overmaat aan beroepsmensen in een bepaalde sector, omdat er dan een asociale en tevens onevenwichtige situatie ontstaat van goed opgeleide mensen waarvoor geen werk is. Deze afstemming van vraag en aanbod is complex en dient zorgvuldig te gebeuren. Maar niet altijd kan iedereen alles kiezen. Dit pleit er ook voor om adolescenten al vroegtijdig te begeleiden in hun beroepskeuze. Een houding van ‘ik zie nog wel’ mag niet gedijen op staatskosten. Het voorrecht van een vrije keuze en van het hoogwaardige aanbod moet als een groot, waardevol goed worden beschouwd ten opzichte van landen waar gebrekkig onderwijs of helemaal geen onderwijs voor elk kind is.

Het derde argument is dat de gemeenschap gebaat is bij een uitkomst, waarbij elk mens naar vermogen en kansrijkheid zijn werkplek in de maatschappij vindt. Die baat betreft zowel de samenleving als geheel als het recht op ontplooiing van elk individu. Gegeven deze waarde voor de gemeenschap dient het onderwijs kosteloos en voor iedereen toegankelijk te zijn. Voor hogeschool en academisch onderwijs, waar meer tijd mee is gemoeid kan die leeftijdsgrens worden opgetrokken tot 25 jaar of zolang de studie vergt. Niet tot zolang als een willekeurige student er over zou willen doen.

Dit vergt een strakke en gedisciplineerde aanpak. De selectie-eisen mogen scherp worden gesteld, de studieduur idem dito. Voor lummelen is geen ruimte. Daarvoor zijn de kosten te hoog en is studeren als zodanig een te ernstige bezigheid. Per slot van rekening gaat het om een entree naar een werkzaam, persoonlijk zinvol en economisch hoogwaardig bestaan voor een periode van 40 jaar of meer. Free wheelen, dat mag op eigen kosten.

Ten vierde is het voor de leerling of student kosteloze onderwijs een redelijk aanbod, omdat de gemeenschap op voorhand geen baan kan garanderen, noch een zodanig salaris dat een studieschuld vlot kan worden terugbetaald.

Ten vijfde is er het aloude argument, dat kinderen van arme ouders niet moeten worden achtergesteld in hun studiekeuze bij hun leeftijdgenoten met meer kapitaalkrachtige ouders. Het leenstelsel zet die vrije keuze onder druk.

Ten zesde heb ik nog een beschavingsargument. Een ontwikkeld en welvarend land als Nederland moet het tot zijn beschavingsnorm rekenen, dat nieuwe generaties op kosten van de gemeenschap onderwijs kunnen genieten. Er zijn domeinen, waarin de staat zich een gemeenschap weet en die behoren tot de selectie van zaken, die vanuit de collectieve, algemene middelen dienen te worden betaald. Ten principale. Onderwijs behoort mijns inziens tot deze selectie.

Een land dat zich welvarend acht, maar zijn kinderen geen vrij toegankelijk onderwijs biedt, doch dit onderhevig maakt aan de betaalkracht van ouders, mag zichzelf geen hoge beschaving toedichten.

Interessante artikelen

De situatie
Nederland geeft elk jaar miljarden uit aan ontwikkelingshulp. Als dit geschiedt omdat we mensen willen helpen in armlastige landen kan niemand die anderen het recht geeft op een menswaardig


Er zijn kinderen die denken dat een antilope iemand is die altijd de auto neemt. Alle gekheid op een stokje de afstand tussen mensen en natuur groeit. Uitstervende dierensoorten zijn een tekenend voor