Warnercommunicatie

"Non nobis tantum nati"

Gasunie is opgericht om het aardgas te vermarkten. Aanvankelijk werd gedacht aan een maatschappij voor distributie en verkoop, waarn Shell, Esso en de Staatsmijnen elk voor een derde deel zouden participeren. Dat vond minister De Pous aan de magere kant voor de staat. Een adviescommissie onder leiding van prof mr. Van der Grinten, staatsgeleerde, moest uitkomst brengen. Een vergroting van het staatsbelang stuitte op verzet bij de olies. Dat had een even eenvoudige als belangwekkende reden. Olie kwam in die dagen vooral uit het Midden-Oosten. De oliemaatschappijen betaalden aan de Arabische regeringen of heersende sjeiks belastingen en royalties op basis van de verleende concessies. De winning en de verkoop van olie en daarmee ook de prijzen waren in handen van de oliebedrijven. Vanaf 1957 daalden de werldhandelsprijzen echter scherp. Dus gingen ook de inkomsten van die sjeiks naar beneden. Deze reageerden met de oprichting van de Organisatie van Petroleum Exporterende landen (de OPEC) in 1960 in Bagdad. Het doel was meer greep te krijgen op de handel om zodoende hun financiële belangen veilig te stellen.

Op die vergroting van de staatsinvloed zaten de olies niet per se te wachten. Dus waren Shell en Esso uiterst omzichtig met ontwikkelingen op dit vlak elders in de wereld. Een zware deelneming van de Staat in de Nederlandse aardgasproductie en –handel zou hun positie in het Midden-Oosten op ditzelfde punt danig verzwakken. De strategische constructie die men in Den Haag bedacht en die hierop inspeelde , was het verlenen van de winningsconcessie aan de NAM (een privaat oliebedrijf) die deze concessie inbracht in een maatschappij waarin ook de Staatsmijnen deelnam.

Vandaar de oprichting van Gasunie en voor de verkopen in het buitenland NAM Gasexport.Zo bleven staatsbelangen bij de Staat met Gasunie als verkoper, terwijl de Staat toch zijn belang zag vergroot.

In de beginperode hield NAM zich dus met export bezig, weliswaar voor rekening van Gasunie, die ook het exportbeleid bepaalde. Omdat in Gasunie de Staat voor 50% meestuurde behield de minister van Economische Zaken zijn greep op het hele gasbeleid.

Op 1 april 1975 vlak na de oliecrisis van 1973 verdweeen NAM/Gasexport van het toneel. De olieproducerende landen waren toen begonnen hun olie-industrie grotendeels in eigen handen te nemen, waarmee de situatie sterk veranderde. Gasunie behartigde vanaf die tijd de export zelf. Dat was politiek tegenover de MO-oliemarkt geen belemmering meer.

Het Gasgebouw zou later een nieuwe belangrijke rol vinden in de relatie tussen de de productie uit het Groninger veld en de tientallen kleine gasvelden ter land en ter zee, die hun inhoud toevoegden aan de algehele gasvoorraad. Dit zogenaamde kleindeveldenbeleid maakte een langetermijnbeleid mogelijk omdat alle gas moest worden aangeboden aan Gasunie en door deze moest worden verocht.

Het is overigens leerzaam te zien wat er allemaal in die beginjaren ’60 waarin Van der Grinten het concept uitwerkte, aan de hand was, juist waar we nu over een turbulente wereld reppen. In Nieuw-Guinea dreigde een al spelende crisis tussen Nederland en Indonesië uit te lopen op een gewapend conflict. President Kennedy bracht de wereldvrede in gevaar door een mislukte invasie in de Cubaanse Varkensbaai. De Gaulle greep in Frankrijk naar de absolute macht na een muiterij tegen de Fransen in Algiers, de Amerikanen begonnen hun interventie in Vietnam, Russische en Amerikaanse astronauten maakten hun eerste ruimtereizen, in Berlijn werd de Muur gebouwd en in Israel stond een in Argentinië gekidnapte Eichmann voor zijn de rechters. Het waren roerige tijden. Maar Nederland stond voor een periode van stijgende welvaart, waarvan met name de geboortegolfgeneratie zou profiteren.

Interessante artikelen