Warnercommunicatie

"Non nobis tantum nati"

De filosofen disucssiëren al eeuwen over de vraag: wat is werkelijkheid of de werkelijkheid? Moderne natuurkundigen vullen die discussie aan, omdat telkens weer blijkt dat de werkelijkheid anders in elkaar dan we tot dan toe dachten of liever gezegd ontdekten. Ontdekken is een beter woord, omdat dit het beeld oproept van een verborgen werkelijkheid, waarvan we geleidelijk aan de sluiers één voor één verwijderen. De werkelijkheid is bedekt, omdat wij eerst en vooral de werkelijkheid ontwaren dankzij onze zintuigen. Hun beperkte bereik maakt, dat we slechts een deel van de werkelijkheid.  Omdat we een onderdeel zijn van het geheel en niet van buitenaf kunnen kijken, krijgen we misschien wel nooit de hele werkelijkheid in het vizier en daarmee vallend onder ons bevattingsvermogen. De redenering dat alleen bestaat wat wordt waargenomen (zijn is waargenomen worden) acht ik onzin. Het zou betekenen, dat bestaan alleen als een totalitair subjectief gegeven kan worden benaderd. We moeten niet alles aan onze eigen vermogens afmeten. De zon draaide niet om de aarde, maar deze wel om de zon. Evenzo draait het heelal niet om ons.

De werkelijkheid is, zoals het woord in oorsprong aangeeft, dat wat werkt. Zijn is een feit, dankzij moleculen, atomen of nog kleiner trilharen. Werkelijkheid en zijn impliceren elkaar. Energie vertegenwoordigt arbeidsvermogen. Het is een zijnsessentie van  energie, dat het werkt cq beweegt of metaforisch gezegd leeft. Werking is voor anorganische processen, wat leven is voor organische. 'Dat leven' van anorganische processen zien we overal in de natuur en het heelal terug. Water stroomt altijd van hoog naar laag, van boven naar beneden. Dit gebeurt door toedoen van een andere natuurfenomeen (wet), zijnde de zwaartekracht. Hete materie geeft altijd warmte af aan een koudere omgeving.Nooit omgekeerd. De georganiseerde energie in een eierschaal kan wel breken, maar er is geen spontaan proces, dat de schaal weer heel maakt. Dat is in het kort wat de Tweede Wet van de Thermodynamica ons leert. Zo zijn er talloze voorbeelden. Een gesloten systeem sterft in volslagen gelijkmatigheid. Elk onderdeel heeft op den duur dezelfde temperatuur. Zou dit voor het hele heelal gelden, dan ondergaat dit heelal, wat astronomen wel de warmtedood noemen. Een open systeem weet zich gevoed en gestimuleerd met impulsen van buitenaf. Voorwaarden voor al die actie zijn verschillen tussen twee toestanden, waardoor er verbinding, versmelting, omzetting, overdracht of transitie plaatsvindt (neutraal gezegd: werking).

Levende materie, organismen werken volgens diezelfde principes. Stofwisseling is zo'n proces dat aan levende organismen verbonden is. Een kenmerk van die arbeid ofwel energieoverdracht van de ene situatie naar de andere is dat nooit alle energie geheel naar die nieuwe toestand overgaat. De liter benzine wordt niet 100 procent omgezet in snelheid of afstandsoverbrugging. Een gedeelte gaat verloren (niet echt verdwijnend overigens) als ‘nuttige’ energie in de wrijving tussen de motorische onderdelen (die worden warmer) of de wrijving tussen de banden en de weg  (die worden ook warmer). Dat verlies verloopt volgens het wezen van de Tweede Wet van de Thermodynamica en die nuttige, als het ware georganiseerde energie, gaat deels op in onnutte energie. Dit fenomeen  noemen we entropie (een maat voor desorganisatie). De zon verwarmt de aarde en voorziet haar van energie en dat maakt op zich de aarde tot wat deze is: een hemellichaam met een situatie die o.a. tot levende wezens heeft geleid. Maar veel zonnedeeltjes of –warmte verdwijnen in de relatieve leegte van het koelere heelal. Dat is op zich maar goed ook. Zou alle zonne-energie worden opgevangen door de aarde, dan zouden we op de duur even heet worden en het leven zou onbestaanbaar zijn, zelfs er in het geheel niet zijn geworden. Als we het hebben over efficiënt energiegebruik, dan proberen we zoveel mogelijk dat verliesvolume te beperken of er zoveel mogelijk doelgerichte werking uit te halen. Die Tweede Wet voorkomt ook het bestaan van een perpetuum mobile.

Het leven heeft een zekere duur en die kan verschillen van wezen tot wezen. Voor al onze activiteiten en daarmee het leven zelf hebben we voortdurend energie nodig in de vorm van eten en drinken. Maar energie is niet de enige factor die de duur van het leven bepaalt. Je kunt dood gaan, terwijl er een voldoende voedsel of water aanwezig is.  De levensduur van onze organen en lichaamsprocessen hangt namelijk  ook af van de bestaansduur (levensduur) van die processen, die zorgen voor nieuwe cellen en andere bouwdelen van het lichaam, omdat onze organen en de bouwprocessen nu eenmaal onderhevig zijn aan slijtage. Je zou met een variant op die tweede Wet ook kunnen zeggen: alles slijt of op de duur gaat alles over in wat anders: panta rei.

Primitieve dieren hebben weinig tot geen besef van tijd en levensduur of hun eigen positie in dit levensproces.  Zij bewegen zich als het ware op hun levensenergie en hun instincten mechanisch door hun leven. Weten zij veel.  Maar dieren laten een ontwikkeing zien richting besef en intelligentie. Naarmate dieren slimmer werden en via een vorouderlijke mensapenlijn uitgroeiden naar mensen ontwikkelden zich het  besef van het ik (zelfbewustzijn), van het ik als levend wezen, van het ik met een tijd van leven. Vanuit dit besef ontstond het bewustzijn van de confrontatie van het leven met de dood. Mensen 'kozen' voor de optie continuïteit, zelfs met uitzicht op eeuwig voortbestaan. In dieren is de voortbestaansdrang eveneens aanwezig, zij het in uiteenlopende gradaties of kracht van besef. Ook zij proberen aan de dood te ontkomen, totdat hun eigen klokje afloopt, zowel aan de dood als gevolg van natuurlijk anorganisch geweld, - storm, water, vuur, kou, voedselschaarste – als van organisch geweld in de gestalte van predatoren, waaronder ook mensen. De hele voedselketen functioneert ter wille van dit overlevingsproces en genereert doodsangst. De drang tot leven is eigen aan leven.

Dat voortbestaansproces kennen we als de Darwiniaanse evolutietheorie: voortdurende aanpassing aan de omstandigheden om de levensbedreigende natuur te overleven. In dat evolutionaire aanpassingsproces is de mens zo ver dat hij twee nieuwe strategieën heeft ontwikkeld en zich eigen gemaakt. De eerste strategie  is die van bewuste anticipatie. De mens schat de gevaren vooraf in en probeert die natuur naar zijn hand of op afstand te zetten om zo de dreiging te verkleinen of te elimineren. Daarin zijn we nog verre van oppermachtig, maar we vorderen gestaag. De incidenteel hoge watervloed weren we af door dijken te bouwen. De kille kou door berebont te gebruiken of het vuur uit te vinden. De schaarste aan voedsel vanwege allerhande invloeden pareren we door slimme landbouwpraktijken en hiertoe nuttige werktuigen. De dood door incidenten pogen we te voorkomen door allerlei veiligheidsmaatregelen. We overstijgen hierin de vermogen van dieren en planten. Het is het gevecht tegen de dood van buitenaf. De tweede strategie is  een zeer menseigen weg. We sleutelen ook aan ons eigen slijtageproces, aan die onafwendbare doodsoorzaak binnen in ons lijf. We grijpen in in ons eigen lichaam en brengen levensverlengende verbeteringen aan. Dieren komen niet veel verder het eten van helende planten en hun geneeskrachtige werking, of het likken van hun wonden, ook bij soortgenoten, maar mensen wroeten inmiddels in hun dna,  speuren naar de werking van celvernieuwing, vervangen versleten of disfunctionerende onderdelen door transplantatie van  nog bruikbare organen, weefsels of andere lichaamscomponenten en zoeken zelfs naar een  nieuwe opbouw middels stamcellen.

De werkelijkheid maar tevens het leven is voor mensen dus dat wat werkt. Wil je blijven leven, dan moet je in werking blijven. In dode vorm zijn we nog steeds deel van de werkelijkheid. De atomen, die ons tijdelijk vormden, gaan wel verder. Maar wij zijn er in bewuste en identiteitsbeseffende existentie niet meer bij. Het leidt bij velen op zijn best tot knarsende aanvaarding. We doen er van alles aan om ons bestaan te verlengen.  Met levensverlenging handelen we zo beschouwd strijdend tegen de Tweede Wet van de Thermodynamica in en verweren ons tegen het verval, dat besloten ligt in het entropische proces. Dat gevecht tegen de omgevende natuur en haar bedreiging, ook binnen onszelf, zou kunnen worden uitgelegd als een poging van de kosmos om zelf, bijvoorbeeld in de vorm van mensen, aan het eigen verval te ontkomen. Via de mensen sleutelt de kosmos aan het eigen voortbestaan. Mensen als een anti-entropisch fenomeen. Maar dit terzijde.

Gelovigen verbinden hun tijd van leven aan een goddelijke beschikking en hebben moeite met al dit gesleutel. Alsof mensen zelf proberen voor god te spelen. Zij zien het leven hier op aarde als eindig, waar ze gelijk in hebben, en verplaatsen het vermeende genoegen van eeuwig leven naar de hemel. Eigenlijk is dit een plek buiten de werkelijkheid, want in die werkelijkheid slijt en vervalt immers alles. Het kan geen toeval zijn, dat toen de mens won aan besef van zijn sterfelijkheid het geloof ontstond. We begonnen de werkelijkheid door te krijgen, begrepen aanvankelijk nog weinig en bedachten ons een hogere, buiten ons bereik liggende werkelijkheid met eeuwigheidskenmerken. Geloof is daarmee een vorm van profysica, niet van metafysica in de menselijke denkhistorie. Wetenschappers aanvaarden die on-werkelijkheid niet en ontrafelen stapje voor stapje de bestaande werkelijkheid en het slijtageproces. Het is een aanpak die leidt tot een verrassend snelle aanpassing en deze lijkt zich daarmee te onttrekken aan het proces van evolutionaire aanpassing, dat zich eerder over miljoenen jaren dan eeuwen uitstrekt. Het is een succesvolle aanpak, want de stijging van de gemiddelde leeftijd laat in de in dit vlak verstgevorderde delen van de wereld een verdubbeling zien ten opzichte van een paar eeuwen terug.

Die werkelijkheid blijkt voor wetenschappers uit de feiten en de waarheid als waar (feitelijk bevestigd) inzicht. Dit een tweede begrip, waar de filosofen al eeuwen vat op pogen te krijgen. Waarheid is in eerste aanleg ook weer een typisch menselijk begrip. Als waarheid berust op feiten en feiten kunnen worden vastgesteld aan de hand van een studie van de werkelijkheid (hoe werkt het?), dan nemen we ook de waarheid steeds meer waar door de werkelijkheid te fileren en tot feitelijkheden terug te brengen. De begrippen draaien als helixen om elkaar heen. Waarheid is in hoge mate ook een statistisch gegeven. Wat telkens weer blijkt, krijgt een gehalte van feitelijkheid (het inductieve redeneren). Bij een frontale  botsing tussen een rijdende trein en een mens legt de mens doorgaans het loodje. Dat aanvaarden wij als een feit, omdat het telkens maar weer blijkt, hoewel het nooit helemaal met zekerheid kan worden bewezen. We kennen de oorzaken. De mens is lichter, minder compact, kwetsbaarder, bestaat uit andere materialen enzovoor, enzovoort. Als een mens heelhuids onder die trein heelhuids vandaan komt, spreken we van een wonder, maar dat is het niet. De verklaring is, dat de trein hem niet  dodelijk heeft geraakt, het was dus blijkbaar niet frontaal, of maar slechts zeer schampend of gewoonweg geen botsing. Al die dodelijke eigenschappen van die trein kwamen dan niet tot werking. Gelovigen hebben wonderen nodig als signalen van een in hun ogen bestaande god. Ze zeggen dan:'' het was een wonder of het was zijn tijd nog niet.'  In de loop van de geschiedenis zijn ontelbare wonderen en bovennatuurlijke verschijnselen en gedachten ontmanteld als verklaarbare, feitelijke gebeurtenissen. Omgekeerd geldt dan natuurlijk dat het wel iemands tijd bijkt, als hij het niet overleeft. Omdat dan de wil van een god of hun God leidt tot de conclusie van een pijnlijke, definitieve en voor de achterblijvers zeer tot verdriet stemmende ingreep bedacxht men de uitvlucht dat wij de goddelijke bedoelingen niet kennen of dat er het kwaad in het spel kan zijn (andermans schuld) en aanverwante bochtredeneringen.

De waarheid kent twee categorale duidingsgebieden. Met waarheid etiketteren wij alle door de mensen aanvaarde feiten (het collectieve weten)en alle door de mensen gedane uitspraken over feitelijkheden. Iemand die liegt, spreekt niet de waarheid, omdat hij de feiten verdraaid. Eigenlijk omdat hij nonfeiten uitspreekt. Het gegeven, dat zo’n persoon liegt, is een feit en daarmee werkelijkheid, maar dat maakt de inhoud van zijn bewering op zich nog niet waar. Vandaar ook de uitspraak: feiten liegen niet.

Fantasie of een verbeelding noemen wij onwerkelijk, omdat we er geen waarneming aan kunnen verbinden, anders dan degene die de fantasie construeert in zijn  hersenen. Het is zogezegd geen tastbare werkelijkheid.  Maar het hebben van een fantasie behoort wel als geestestoestand tot de werkelijkheid. Gesteld dat wezens van elders ons zouden bestuderen en tot de slotsom komen, dat zich in de menselijke hersenen fantasieën kunnen vormen en afspelen, dan kunnen zij het tot werkelijkheid bestempelen, dat er wezens bestaan die dit kunnen en daarmee behoren die fantasieën tot de werkelijkheid. Ik bracht dit in artikel 1 al naar voren.  Een proces kan alleen in redelijkheid bestaan als alle onderdelen van dat proces bestaan. Dezelfde redenering gaat op voor geloven. Dat er mensen zijn die geloven is een feit. Het geloven in een goddelijke werkelijkheid is een feit. God is geen feit, want gelovigen zelf plaatsen de godheid buiten de werkelijkheid. Dat gelovigen dit doen is een door iedereen aanvaard feit en daarmee weer wel werkelijkheid, maar als inhoudelijk feit niet bewaarheid.

De kosmos kan op twee manieren oneindig zijn, namelijk in ruimte (uitgestrektheid, geen grenzen) en in tijd. Simpel gezegd, de kosmos is er altijd en overal. Er is een verschil in de duur van het menselijke voortbestaan. Als soort hebben we een mogelijkheid tot voortbestaan, dat ligt evolutionair al besloten in het voortplantingsproces. We herhalen ons in onze kinderen. Als individu kennen we volgens de wetenschap een eindig bestaan en volgens sommige geloven daarnaast een eeuwig bestaan, maar niet in het hier en nu. Als de kosmos en alles daarin niet eeuwig is, krijgt de hemel, als die wel eeuwig bestaat, op een gegeven moment geen aanvulling meer. De kosmische mens houdt dan op te bestaan. De hemelse mens is er voor altijd. Dat lijkt op zijn alledaags gezegd niet erg sportief tegenover die mensen die er waren, voordat het geloof in een hemel ontstond, en evenmin fair tegenover de mensen in spe, die er nooit meer komen. De hemel bleek dan alleen weggelegd voor mensen uit een bepaalde periode en is dus een cultureel-temporeel gegeven.  Het is een paradox aangaande de veronderstelling van het eeuwige leven, die geloven nog niet hebben opgelost. Willen we aan die ongelijkheid tussen vroegere, hedendaagse en nog in potentie komende mensen een einde maken, dan moeten we in ieder geval voor de laatste categorie het voortbestaan van de mensheid als zodanig voor elkaar zien te krijgen. Daar zijn wetenschappers effectiever mee bezig dan gelovigen. Geloven hebben het leven op aarde nog nooit verlengd, wetenschappers boeken meetbare resultaten.  Consequent redenerend zijn de gelovigen gebaat bij voortreffelijke wetenschappers die niet geloven, omdat deze vanuit eindigheidsbesef en hun continuïteitsdrang  effectief werken aan een langer -zij het tijdelijk hier op aarde - voortbestaan van de enkeling en eeuwig hier op aarde van de soort. Zij houden daarmee het geloof in stand, zolang er mensen zullen leven die geloven, en de hemelse groei in stand door eeuwige aanvoer.

Interessante artikelen