Warnercommunicatie

"Non nobis tantum nati"

De ziel is stuurbare energie. Een mens beschikt tijdens zijn bestaan over een kleine portie energie die zichzelf tijdelijk kan besturen. Het is een bijzondere vorm van energie, die wij leven noemen. Sterft een mens, dat verlaat dit stuurvermogen het lichaam. Dat wordt bedoeld in veel culturen (de indiaanse zowel als de Indiase o.a.) als men zegt, dat de ziel ons lichaam verlaat. Het lichaam zelf, niet langer van ons, verwordt tot zielloze materie. Deze materie verliest zijn structuur, valt hierbij terug in de schoot van de universele energie en wordt na lange tijd geheel en al onderdeel van het alom aanwezige proces. In die zin is de mens onderdeel van de eeuwigheid, zij het niet erg herkenbaar of aanspreekbaar.

Door te begraven en balsemen verlengen we de illusie van het-er-nog-zijn. Het is de illusie van de nabestaanden, nog levenden. Verbranding of crematie van het lichaam versnelt het proces van die universele opname. Het is natuurkundig gezien een doelmatiger actie. De nabestaanden proberen soms die illusie ook dan nog te rekken. Ze zetten de as in een urn op de schoorsteen of in een krypte. Ze geven de inmiddels onbeheerde energie soms ook met een kleine omweg terug aan het energie-universum en strooien de as uit over het land of de zee. Zij staan er niet bij stil dat de meeste lichaamsenergie tijdens het verbrandingsproces al in rook en warmte is omgezet.

Het beheers- of stuurvermogen gedurende het menselijke leven zit in onze hersenen en noemen we geest. Eindigt het proces van de beheersbare energie dan stopt ook de geest. In die zin benoemen we het ook zo: hij of zij heeft de geest gegeven. Opvallend genoeg speelt  bij dit beheers- of stuurvermogen het onbewuste een grotere rol dan het bewustzijn. Dat is een feit omtrent onze hersenen, die daar nu ook achter komen door zelfonderzoek. Bij dieren c.q. alle levende wezens verloopt het proces niet anders. Hun geestesvermogen is evenwel geringer. Zij hebben geen weet van het proces, al is er bij hogere diersoorten wel een besef van de sterke verandering en het verlies van naasten. Ook zij kunnen treuren.

Energie doet zich in duizendenéén vormen voor. Licht is energie in een vorm die we kunnen zien. Geluid is een vorm die te horen valt. Geur kunnen we ruiken, smaak proeven en de tastzin doet ons voelen. Het is voor mij een intrigerende gedachte, dat de universele energie in de vorm van levende organismen tot een structuur is gekomen door die gestaltes aan te nemen, die het mogelijk maken zichzelf via ons soort mensen te beschouwen en tegelijk ons van die zintuigen te voorzien, waardoor we die gestaltes kunnen ervaren. Alsof er over is nagedacht. De hersenen zijn op hun beurt het beheerscentrum, dat niet alleen die zintuigen aanstuurt, maar de waarnemingen verzamelt en kan reflecteren op die bevindingen. Via die zo gestructureerde energie, haar verschijningsvormen en de werking van de hersenen kijkt de energie naar zichzelf.

Dit reflectieproces komt in ons brein tot uiting in nieuwsgierigheid en kenvermogen en vindt zijn apotheose in bewustzijn. Of dit proces puur materieel is of algemener gezegd puur fysisch weten we nog niet. We beredeneren, dat het ook een immateriële component kan bevatten of vertegenwoordigen. Dat zou dan een component zijn, die zich mogelijk onttrekt aan onze zintuiglijke waarnemingsvermogens. Frappant is wel dat het fenomenale vermogen om te bezinnen en reflecteren er nu toe leidt, dat dit vermogen zichzelf aan het doorvorsen is, als we stukje bij beetje de werking van ons brein ontrafelen. Het lijkt een iteratief proces: de kosmos wordt zich bewust van zichzelf. Zij heeft hiertoe een zesde zintuig doen ontstaan: de hersenen als bezintuig.

De geest weet zich energetisch gedreven door wat we in de taal een vraag noemen. Hoe zit het in elkaar? Wat of wie schuilt er achter? Waardoor worden zaken gedreven en vindt er ontstaan plaats? Waarmee kunnen we nog verder onze zintuigen aanscherpen? En de filosofische ham-vraag: waarom bestaat dit alles? Dit is de doel- en redenvraag? Het is de vraag, die het onvervreemdbare product is van een ontwikkeld brein. Knieschijven en schouderbladen stellen zich die vraag niet. Zelfs het hart niet, al dachten (?) we lange tijd van wel. De hersenen dachten dat het hart alles stuurde; ze waren het zelf. Blijkbaar leerde het brein van zichzelf. Met de waarom-vraag onderscheiden we ons ten hoogste van de dieren en andere levende organismen.

In de menselijke beginfase zagen en voelden we brokken materie, hoorden we hun bewegingen, zoals in het ruisen van de wind, het gekletter van water, en roken we aanwezigheid. Dieren waren in deze opzichten vaak op onderdelen beter ontwikkeld dan mensen en nog steeds is dit het geval. Het lijkt erop, dat we met ons groeiende brein de prijs betaalden voor de afnemende kwaliteit van die oerzintuigen. Voor wat hoort wat. Ons bewustzijn en onze waarnemingen waren grof van aard. De mentale verwerking van alles bevond zich nog in het prille stadium, dat we primitiviteit noemen. Lees dit woord vooral als een neutraal begrip, als ‘in eerste instantie'. De mensen waren in die dagen niet dom, ze waren lerend. Vervolgens ontwikkelden we betere kijk- en luistervermogens langs technische weg. We gingen schouwen op moleculair en aansluitend atomair niveau. Hiermee drongen we dieper en dieper door in het verschijnsel energie. De jongste kunde en de modernste techniek hebben ons doen belanden op quantumfysisch niveau. Daar waar deeltjes peilloos snel in elkaar overgaan, waar energie zich laat ‘zien’ als deeltje, golf of als energieveld en waar zintuiglijke onderscheiding verdwijnt in het basale fenomeen van een energievermogen, dat alle vormen en kanten uitkan. Een niveau dat zich, voor zover we kunnen beredeneren, lijkt voor te doen volgens een alledaags gezegde: het is maar hoe je het bekijkt. met de waarneming op dat niveau bevinden wij ons op onze beurt nog in een primitief stadium, al vinden we onszelf technisch en kennismatig zeer geavanceerd. Maar dat is in vergelijking tot het verleden Ook wij hebben nog veel te leren. Zo zullen onze nazaten over ons oordelen. We hebben voor wat we nu ten fundamenteelste menen waar te nemen zelfs nog niet eens woorden of begrippen, maar beschrijven alles in termen van het tastbare verleden. Als mentale kennishandelingen verrichten noemen we dit begrijpen, bevatten, waarnemen, vasthouden, alsof we het met onze (geestes) handen kunnen beetpakken. Voor mij komt de waarom-vraag hierop neer: mensen zijn het introspectie-instrument van de kosmos. Het antwoord op de waarom-vraag is het antwoord op de waarmee-vraag. Wij zijn instrumenteel op kosmisch niveau en vinden ons persoonlijke doel in zingeving van onszelf als een -  in onze terminologie uitgedrukt - wonderbaarlijk instrumentarium.

Interessante artikelen

Het is voor mij een trieste constatering, maar geld heeft de sportiviteit vermoord. We zagen de voorbodes al. De eerste concrete voorbeelden zijn minstens drie decennia oud. Ik ben geneigd de lawine a


Een veiligheidsman speelde vertrouwelijke informatie toe aan een criminele organisatie. We lazen dit eerder. Het betrof toen een politieagent. En deze twee gevallen stonden niet op zich. Informatie he