Warnercommunicatie

"Non nobis tantum nati"

De existentiële kernvragen waren waarom bestaan we, wie zijn we en wat zijn we? Ik schrijf in de verleden tijd en leg uit waardoor ik die mening ben toegedaan.
De vraag ‘wat we zijn’ is opgelost. We zijn binnen het kader van onze eigen definities en indeling organische wezens, die relatief kortgeleden als soort zijn afgetakt aan de zoogdierenstam, delen een gemeenschappelijke voorouder met de mensapen en zien via evolutionaire lijnen ons ontstaan teruggevoerd tot de vorming van eukaryoten in de oersoep.

De vraag ‘wie we zijn’ is een vraag naar onze identiteit, onze persoonsgelijkheid. Het is een vraag die geheel en al op onszelf betrekking heeft en dan nog in eerste instantie individueel. Die vereenzelviging is niet louter fysiek meer ofte wel gerelateerd aan tastbare en zichtbare uiterlijkheden en innerlijke bestanddelen, maar strekt zich ook uit over onze persoonlijkheden en eigenschappen.

‘Waarom we bestaan’ vraagt naar het doel van het zijn. Dit is strikt beschouwd niet langer de moeilijkst te beantwoorden vraag. Religieuze mensen, die in een god of goden geloven, hebben op deze drie existentiële vragen maar één antwoord. Mensen bestaan als resultaat van de goddelijke schepping en daarmee ligt het doel bij die schepper. Zij zijn zijn schepselen en naar zijn evenbeeld geschapen, waarmee de wat-vraag is beantwoord. Onze soortaanduiding is van secundaire betekenis en het gevolg van een taxonomische invuloefening. De identiteitsvraag ligt in beantwoordende zin fundamenteel besloten in dat evenbeeld met dien verstande dat een ieder uniek is; collectief gelijk, persoonlijk uniek. Waarom we bestaan is door gelovigen vervangen door de vraag waardoor of door wie of wat we bestaan. Het antwoord hierop is: de hand van hun god, door het feit van de schepping. De schepper is oorzaak. De reden als bewuste oorzaak kennen zij niet. Daarover geeft de Bijbel of de Koran of de Talmud geen uitsluitsel. Gods doel is onbekend. De openbaringen komen de facto niet verder dan een antwoord op de waarvoor-vraag: gelovigen bestaan om de schepper te dienen en zo een plek in de hemel te verkrijgen.

De vrijdenkende mens houdt het erop, dat het bestaan geen doel heeft. Mensen zijn het resultaat van een fenomenaal proces zonder sturend bewustzijn of plan en dienen de zingeving van het zijn aan zichzelf te ontlenen, inmiddels hiertoe in staat gesteld doordat dit proces in een fase is gekomen, waarin beschikt kan worden over bewustzijn en reflectie. Zij zien zichzelf als een resultaat in de tijd, dat aan veranderingen of ontwikkelingen onderhevig is, zowel in evolutionaire als in culturele zin. Het doel van het leven kunnen zij zoeken en vinden in een kleine en een grote actieradius. In kleine kring vinden zij het doel binnen de eigen tijd van leven, letterlijk en figuurlijk, met enige intentionaliteit waar het om de eerstvolgende generaties gaat en dan nog met name hun eigen nazaten. In grote kring geven zij het doelbereik over aan de onzekerheden als eigenschap van de toekomst. De mensheid als totaal heeft in hun ogen geen beleid waar het gaat om de verre toekomst anders dan de ingebouwde neiging tot overleven van de soort, liefst zo comfortabel als mogelijk is, te beginnen in het nu. Van een strategisch lange termijn plan is geen sprake, wel van een voorkeur om te werken aan verbetering en de vermindering van het lijden. Die voorkeur uit zich in de universele wens tot vrede, maar of we dat woord universeel hier mogen gebruiken staat nog te bezien voor wie de verkettering en hiërarchische minachting over en weer in de geschiedenis van de mensheid tot aan de dag van vandaag en voorlopig ook nog wel in de afzienbare toekomst taaie en soms gruwelijke realiteit is. Als we dit voorkeursstreven verbinden aan comfort en een mate van welzijn ontwaren we immers evenveel positieve vorderingen als negatieve gebeurtenissen. Als we het verbinden aan geluk, hebben we zo onze twijfels. Wat we nu als gelukkig ervaren, hoeft dit in de toekomst helemaal niet te zijn en de mogelijke alternatieven onttrekken zich nog aan onze vooruitzichten. Frappant genoeg bevinden godgelovigen en vrijdenkers zich op dit punt in een zelfde positie. Ook de eerstgenoemden kennen het doel niet. Zij zullen zeggen, dat dit een onjuiste bewering is. Hun doel is goed te leven in morele zin om in de hemel als beloning het resultaat te vinden. Maar die doelen zijn al voor hun bedacht als was het een examen waar de antwoorden al van te voren gegeven zijn. Volgens de goddelijke moraal leven is trouwens geen doel, maar een opgave en voorwaarde, een verplicht dienstbetoon, want anders komt het eindresultaat na het aardse verscheiden er heel anders uit te zien.

Een groot verschil tussen in god gelovende mensen en de vrijdenkers is, dat de eerstgenoemden hun toekomst dus al menen te kennen. Voor hen geldt het godsplan, de bedoeling van de schepper is al ingevuld. Zelf hebben zij het niet bedacht. Zij betitelen het als blasfemie te beweren dat de hemelse beloning een eigen menselijk verzinsel zou zijn. Zij aanvaarden hun predestinatie. Heel consequent geredeneerd had de schepper die aardse fase voor hen wel over kunnen slaan. Zij houdt alleen maar risico in. Hoeveel mensen zijn alles bijeen nu gerechtigd die eerste steen te werpen?

Voor gelovigen is al lange tijd het boek ten einde. Hun avontuur beperkt zich, hoewel allesbehalve gemakkelijk, tot de vraag: hoe hou ik de gewenste moraliteit op peil? Het aantal hunner overtredingen is schier oneindig. Op zich is dit begrijpelijk als men bedenkt dat die moraal niet uit henzelf voortkomt, zoals zij eerlijk aangeven. Anders gezegd, zij zijn niet met moraal geschapen. Vrijdenkers scheppen beetje bij beetje de moraal als een menselijke eigenschap, waartoe de ontwikkeling van hun hersenen, het beschikken over rede en reflectie, hen in staat stellen. Ook zij hebben het niet gemakkelijk. Dat geldt altijd voor wie zichzelf een hoge standaard oplegt. Zij zijn geneigd zich aan hun verworven inzicht te houden; wat met moeite is verkregen wordt doorgaans hoger gewaardeerd. Zo ontstaan twee tegenovergestelde gedragsbeelden. De vrijdenker komt uit een geschiedenis waarin de moraliteit niet als gegeven besloten lag. Het is onmiskenbaar dat veel vrijdenkers zich de moraliteit eigen maken, hierbij geholpen door de filosofie. Gelovigen beschikken bij aanvang van hun leven al over de morele (geloofs) voorschriften en het is even onmiskenbaar dat zij ook worstelen, maar nu ironisch genoeg met hun eigen immoraliteit. Begrijpelijk want hun morele normen zijn zoals toegegeven en dagelijks aantoonbaar geen voldongen eigenschap, maar opgelegd gedrag. Ik heb het met hen te doen.

Voor vrijdenkers is het boek nog lang niet dicht. Integendeel. Voor hen geldt juist de spannende vraag in hoeverre zij zelf vanuit hun bewustzijn mee kunnen schrijven. Kent voor gelovigen het bestaan een goddelijke oorzaak, voor vrijdenkers ontplooit zich de mogelijkheid tot een bewuste redengeving. ( Ik heb een sterke voorkeur voor strikt gescheiden semantiek. Oorzaak is dan een onbewuste grond of niet intentionele dynamiek, reden is wat een mens doet handelen ofwel bewuste drijfveer, intentionaliteit).

Als ik aan het begin stel, dat de klassieke existentiële vragen vervagen, dan zouden we kunnen aantreffen, dat de filosofie van onderwerp aan het veranderen is. Mij lijkt dit het geval. Nu is vastgesteld, dat het kosmische proces geen reden en doelen heeft, maar slechts oorzaken en uitkomsten kent, verlegt de filosofie zich in toenemende mate naar de toekomst van die oorzaken en hoe we hieraan reden kunnen geven. De filosofie houdt zich dan niet bezig met de natuurkunde of de (bio)chemie als zodanig, maar met de vragen “wat vinden we van dit proces en zijn uitkomsten” en “wat denken we met die kennis te kunnen en mogen doen in ons dagelijkse en toekomstige handelen.” Iets populairder uitgedrukt: “Waar denken we dat het naar toegaat of wij naar toe gaan en wat we er zelf aan kunnen sturen?:

Metafysika (ta meta ta fysika) betekent in oorsprong letterlijk, dat wat na de natuur komt. In de filosofische praktijk transformeerde dit naar “wat boven de natuur uitstijgt.” Naar de werkelijkheid achter de gedachte werkelijkheid. Hierbij moet bedacht, dat met het begrip natuur in die historische betekenis de zichtbare en tastbare leefwereld, de dingen om de mens heen, werden bedoeld. Modern inzicht en actuele wetenschap, in ieder geval het huidige paradigma, houden het er vooralsnog op, dat niets boven de natuur uitstijgt of ruimtelijk beschreven, dat niets zich buiten de kosmische ruimte en wetten bevindt. Nu we meer en meer die natuur als kenbare bestaansomgeving en de kosmos als te ontdekken totaliteit ( de heelalnatuur) ervaren en daarmee in feite constateren, dat er niets bovennatuurlijks is, krijgt het begrip metafysica meer en meer de betekenis van wat er te denken valt over die natuur en ons kennisproces daarbinnen. Metafysica houdt zich dan niet bezig met dat wat er boven die natuur uitstijgt, maar met de vraag wat er nog volgt. Nu we de wetten en procesgang vergaand leren kennen en ons een voorstelling kunnen maken van het vervolg en onze rol erin vanuit het besef van beheersbaarheid, vernieuwend vermogen ( nog niet in de bestaande natuur voorkomende synthese) en stuurbaarheid. Metafysica als vervolgdenken.

De natuurkunde en andere exacte wetenschappen onderzoeken het hoe der dingen. De filosofie legde zich toe op de waarom-vraag, het doel van het zijn. Die vraag naar het waarom, naar de bewuste reden tot een doel, naar de intentionaliteit wordt meer en meer vervangen door de vraag naar wat we moeten met die kennis en waartoe leidt deze met welke moraliteit? De filosofie houdt zich gaandeweg meer bezig met de fenomenologie van het kennen en toepassen, met de cognitiewetenschap, de psychologie, de neurologie en de politiek als leidinggevend aan de moraliteit. En uiteraard met geheel nieuwe domeinen als de artificiële intelligentie en de grenzen aan dominantie.

Interessante artikelen

In de Bijbel vind ik geen enkele verwijzing naar de evolutieleer of het feit van de evolutie. In de Koran evenmin. De schrijvers van deze teksten hadden er geen weet van. Als God de teksten heeft inge


We weten sinds Darwin, dat natuurlijke selectie het proces is, dat de evolutionaire ontwikkeling van het leven stuurt. Sleutel woord in dat proces is aanpassing. Al of niet aangevuld tot complexiteit


Iedereen die aan een kant staat heeft de neiging te denken dat hij aan de juiste kant staat. Dit leidt onherroepelijk tot polarisatie. Het eigen gelijk wordt heftig verdedigd. Soms letterlijk uitgevoc