Warnercommunicatie

"Non nobis tantum nati"

Vergeleken met de Planck-lengte (10 tot de macht -35e meter) ben ik een bijna onmetelijk grote reus. Voorbij de Planck-lengte vervalt elke maat, maar van het grootste deel van de weg van mijn lengte naar deze minimiteit zie ik niets. Mijn ogen reiken niet ver. Niet in het grote en niet in het kleine. Zo beschouwd ben ik nagenoeg blind. Ook van mijn lengte over een afstand van 1 meter 78 naar de grenzen van de kosmos zie ik niet veel. Die afstand heeft een straal van 46,5 miljard lichtjaren ofwel 46,5 miljard x de afstand die het licht in een jaar aflegt, als ik mijzelf in het centrum zet. Ik zie de maan en de zon, maar dan houdt het al snel op, want het licht van verre sterren bereikt mij pas, wanneer de kans bestaat dat die sterren er al niet meer zijn. Ik zie slechts hun erfenis. Hun bestaan is feitelijk slechts schijn. Alweer ben ik blind maar nu voor de grootste werkelijkheid.

Een vreemde gedachte. Ik ben ziende blind voor het meeste dat er is.

In mijn hoofd dwarrelt het. Ik kan mij er echter wel een voorstelling van maken. Van de grote dingen beter dan van de kleine. Omdat ik de zon zie, heb ik een vergelijkend houvast voor al die andere sterren. Maar als ik rechtstreeks in die zon kijk word ik opnieuw, maar dan echt blind. Jeminee, wat een tergend besef. Van dat kleine spul kan ik mij niet eens een voorstelling maken. Na de zandkorrel houdt het zo ongeveer wel op. Moleculen zijn al te klein, laat staan atomen. Lichtdeeltjes kan ik niet zien en als die deeltjes golven zijn al helemaal niet. Gek genoeg zijn het juist die fotonen waardoor ik grotere zaken wel kan aanschouwen. Het onaanzienlijke kleine helpt de grote ik, maar vooral om te beseffen dat ik zelf onaanzienlijk klein ben. Jandorie nog aan toe.

Maar ik heb ogen die in een opzicht heel ver kunnen kijken. Ik heb de Taal. In de Taal kan ik mij zelfs een voorstelling maken van het ongekende. En ik kan het ook nog anderen laten zien, als zij leren lezen. Dus zo heb ik om verder te kijken microscopen en macroscopen en taalscopen. Taal kan ik praten. Taal kan ik schrijven. Taal kan ik denken, want elke voorstelling in mijn hoofd komt tot mij in de vorm van woorden en zinnen. En door Taal kan ik anderen laten kijken en zich iets laten voorstellen. En zij mij. Zelfs degenen, die helemaal niets kunnen zien. Taal maakt hen blind ziende.

Interessante artikelen

Enige dagen terug verdedigde ik Dijsselbloem en zijn uitspraken. Inmiddels hebben heel wat columnisten en andere commentaarlevers, vooral ook ingezonden brievenschrijvers zijn openheid en eerlijkheid,


Het aantal aanslagen in de afgelopen weken lijkt een kettingreactie. Niet dat ze uit één bron komen en in die zin verbonden zijn, maar wel dat ze een gemeenschappelijke oorzaak kunnen hebben vanuit ve