Warnercommunicatie

"Non nobis tantum nati"

Het moet omstreeks begin maart 1946 zijn geweest, dat een spermacel van mijn vader binnendrong in een eicel van mijn moeder. De geslaagde, liefdevolle invasie zette mijn bestaan in gang. Ik was erbij, maar in een non-identificeerbare vorm en ik bestond voor mijn ouders en buitenstaanders maar nog niet voor mij zelf. Wat men ook van deze cellenontmoeting en de onmiddellijke deling die er op volgde moge denken, ik had er geen enkele bemoeienis mee. Het ging letterlijk langs en door mij heen. De bevruchting is geen democratisch proces. Soms ook daarvoor al niet of het moet het hormonale parlement zijn geweest. De zwangerschap verloopt ook eenzijdig Mijn vader had er verder niets meer over te zeggen.

 

Mijn geboorte vond plaats op 2 december 1946. Over dit tijdstip had ik niets te vertellen. Evenmin kon ik instemmen met de kwalificatie dat ik een druppel was in de geboortegolf.

Van het eerste jaar kan ik mij niets herinneren. Er is een vage herinnering dat ik mij op mijn eerste verjaardag optrok aan een slip van het kleed dat de hoge tafel bedekte, maar wetenschappers vertellen mij dat een eenjarige tot deze bewustwording nog niet in staat is, dat ik dit vermoedelijk een keer van mij moeder had gehoord en er een eigen retrospectieve herinnering van had gemaakt.

Over de plaats waar mijn wieg stond, had ik noch wat betreft de geografie, noch de sociale omstandigheden ook maar iets in te brengen. Ik viel onder de categorie conform het bekende gezegde; ‘als je voor een dubbeltje geboren bent, wordt je nooit een kwartje.’ Dat bleef bijna 20 jaar zo.

Mijn vader stierf helaas jong, op 34-jarige leeftijd, aan de ziekte die mensen in Rotterdam alleen uitspraken als K. Ik was toen op drie maanden na 14 jaar, mijn zusje 8 en een half.

En weer werden wij thuis duidelijk geleefd. Nu vooral door de financieel-economische beperkingen, die op hun beurt allerlei dagelijkse zaken onafwendbaar beïnvloedden. Nochtans was die jeugd zonder zorgen. Er was spel, school, voldoende zij het bescheiden eten, water en een warme slaapplaats. Mijn zus en ik hadden beiden een eigen kamertje. Een weelde voor die tijd in de wijk waar we woonden, al hadden mijn ouders de badkamer hiervoor wel opgegeven. Zij zegden de ene weelde dus op voor de andere.

Mijn eerste vrijheden ervoer ik op de lagere school, zoals die toen nog heette. Ik was de beste van mijn klassen en genoot daardoor veel vrijheid als het om opletten ging. De vijf, zes snelle leerlingen van de klas mochten bijvoorbeeld lezen als andere scholieren nog moesten rekenen en hun schoolwerk doen. Het was de vrijheid de eigen boeken van voorkeur te kiezen, voor zover het aanbod gold. Op het gymnasium daarna was ik eerder de slechtste, maar ik hielp dan ook mijn moeder met schoonmaakwerk in de avond om voor haar wat bij te verdienen dan wel haar taak te verlichten.

De dienstplicht was geen vrijheid. Ik was tegen, maar had geen schijn van kans tegen het systeem. Dienst weigeren leverde een andere, evenmin verkieslijke verplichting op. Voor mij was het kiezen tussen twee kwaden. Ik deed mijn dienstplicht en moet toegeven dat mijn twee jaren bij de luchtmacht zeer vormend en leerzaam waren. Er was tijd voor een cursus journalistiek (LOI) en mijn snelle bevordering tot vaandrig gaf ruimte voor een zelf te bepalen dagindeling. Ik kon onder andere zeer veel sporten. Elk dag samen met andere dienstplichtige officieren op de vliegbasis in Woensdrecht.

De keuze om niet naar de universiteit te gaan was een gedwongen besluit. Mijn moeder kon na jaren van weduweschap wel wat financiële steun gebruiken, meer dan mijn uiteraard bescheiden dienstsoldij. Gaan werken was eigenlijk de enige optie. Met steun van derden was die verdere opleiding wel mogelijk geweest, maar het maakte mij zeer afhankelijk van die derden en daarmee van nieuwe verplichtingen en dus onvrijheid. Ik ging een baan zoeken. Maar wie wil een gymnasiast met twee linkerhanden in een maatschappelijke klasse van stukadoors en havenarbeiders. Het lukte wonderwel vlot. Schoolopleiding en dienstplicht met een daarin besloten opleiding tot officier vormden sterke aanbevelingen. Het was in de opkomst van de witteboordenmaatschappij.

Vandaar is het in vlot tempo omhoog gegaan. Een mengeling van bedrijfskaders en –vakgrenzen en de ruimte om creatieve voorstellen te doen voerde tot een zeer aangename en langdurige periode van gehoorzaamheid, dienstbaarheid en vrijheid met hoe dan ook allerlei grenzen, die evenwel niet als beknelling voelden. In die beginjaren was er zelfs in de avonduren nog tijd voor een studie sociaal-pedagogiek. Ik deed het niet voor dat vak, maar omdat filosofie er een onderdeel van was. Latere scholing bracht me nog naar Insead in Frankrijk. Maar de praktijk bleek ontegenzeglijk de grootste leerschool.

Ik ben nu gepensioneerd en heb zoals dat heet alle vrijheid, wat natuurlijk net als voor iedereen een vorm is van vrijheid in gebondenheid. Vanuit maatschappelijk en sociaal standpunt begrijp ik dit en aanvaard ik het ook, behalve de institutionele onvrijheid die de bureaucratie schept. Ik ben voortdurend slachtoffer van de leus 'de goede moeten onder de kwade lijden.' Nooit heb ik begrepen waarom dit gezegde niet omgekeerd luidt.

 

Volledige vrijheid is niet voor een mens weggelegd in het leven als zich dat afspeelt in bewoond gebied en in samenleving met anderen, waartoe ook het gezin en het huwelijk behoren. De grootste vrijheid is die welke je toestaat voortdurend voor vrijheid te vechten en zover te komen dat de samenleving jou een mate van vrijheid toestaat, omdat je deze in hun ogen waardig bent maar vooral rekening houdend met de vier dimensies en de tijdgeest zult invullen.

Wat mij nu steekt aan de discussie rond euthanasie is dat ik over mijn levensafscheid en de wijze en datum daarvan en redenen daartoe niet zelf mag beschikken. Zelfs nu menen anderen te mogen of nog erger te moeten beschikken over dat eindlot en mijn keuze tot het afscheid.

Ik moet nu de dood als ultieme vrijheid gaan beschouwen. En ironie, o ironie, daar ben ik zelf weer niet bij.

Interessante artikelen

De grenzen als het gaat om terrorisme zijn teruggetrokken tot betonblokken bij kerstmarkten, drukbezochte festivals en andere massabijeenkomsten. Samen met extra agenten of militairen uitgerust met ge


 Pas op, het echte onderhandelen moet nog beginnen. Er is nog slechts een akkoord tot een akkoord.

Allereerst moet het Griekse parlement vier pittige wetten in twee dagen maken en aannemen. Dat kan n


Niet alle landen ondertekenden de verklaring van de universele rechten van de mens uit 1948. De Islamitische landen stelden in later jaren hun eigen verklaring op waarbij die rechten onderhevig waren